Naar de inhoud

opkomen

zichzelf of iemand anders verdedigen

opkomen

werkwoord

Betekenis

  1. zichzelf of iemand anders verdedigen
  2. omhoogkomen
  3. naar een bijeenkomst gaan
  4. op het toneel verschijnen
  5. tot ontwikkeling komen
  6. ingang vinden, populair worden

werkwoord

  1. in de gedachten komen, in de geest opdoemen

Vervoeging van opkomen

opkomenhele werkwoord — kwam opverleden tijd enkelvoud — kwamen opverleden tijd meervoud — opgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom op kwam op
jij komt op kwaamt op
hij, zij, het komt op kwam op
wij komen op kwamen op
jullie komen op kwamen op
zij komen op kwamen op
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom op gebiedende wijs
kwam op verleden tijd
op te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal komen bijzin, toekomende tijd
op zou komen bijzin, voorwaardelijk
op zouden komen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
op zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen komen bijzin, toekomende tijd
op zult komen bijzin, toekomende tijd
opgekomen verleden tijd, deelwoord
opgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opkom bijzin, tegenwoordige tijd
opkomend onvoltooid, deelwoord
opkomt bijzin, tegenwoordige tijd
opkwaamt bijzin, verleden tijd
opkwam bijzin, verleden tijd
opkwamen bijzin, verleden tijd
te zijn opgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opkomen bijzin, toekomende tijd
zijn opgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opkomen op zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opkomen bijzin, toekomende tijd
zult opgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opkomen op zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en komen ww

Woordfamilie van opkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom op gebiedende wijs opkomen
kome op woordvorm opkomen
komen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opkomen
komt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opkomen
kwam op verleden tijd opkomen
kwamen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opkomen
opgekomen voltooid deelwoord opkomen
opkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd opkomen
opkome with-subordinate-clause opkomen
opkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opkomen
opkwam subordinate-clause, verleden tijd opkomen
opkwamen subordinate-clause, verleden tijd opkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opkomen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opkomen

Wat is de betekenis van opkomen?
Opkomen is een werkwoord. De betekenis is: zichzelf of iemand anders verdedigen. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opkomen?
Zo vervoeg je opkomen zo: het voltooid deelwoord is opgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opkomen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. K 3
  4. O 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opkomen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. K 3
  4. O 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

opkomen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opkomen in het kort

opkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opkomen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opkomen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opkomen: zichzelf of iemand anders verdedigen
Deel opkomen — standaardnederlands.nl