recht
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord rɛxtBetekenis
- het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
- rechtvaardigheid, gerechtigheid
- zaak of omstandigheid die men mag opeisen en als zodanig het tegenovergestelde van een plicht
- niet krom
- niet scheef
- (van een hoek) van 90°
- juist
Hoe spreek je recht uit?
/rɛxt/
Recht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- geheel van regels waar iedereen in een samenleving zich aan moet houden en de instituties om zulke regels te maken en te handhaven
- toestand of ontwikkeling die in overeenstemming is met wat in het algemeen eerlijk wordt gevonden of door een samenleving wordt nagestreefd
- zaak of omstandigheid die men mag opeisen
- recht doen aan: wat de rechtvaardigheid vereist
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechten | meervoud |
| rechtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rechtjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- van 90°
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van rechten
- gebiedende wijs van rechten
Vervoeging van recht
rechthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gerechtigheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van recht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtere | woordvorm | recht |
| rechtje | verkleinwoord | recht |
| rechtjes | verkleinwoord meervoud | recht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van recht zijn vastgelegd.