afspraak
zelfstandig naamwoord ˈɑfsprakBetekenis
- een met elkaar afgesproken belofte
- een overeenkomst om elkaar te ontmoeten
- date
Hoe spreek je afspraak uit?
/ˈɑfsprak/
Afspraak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| a | maan |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Byrsonima spicata een tropische boom die voorkomt in het gebied van de Caribische eilanden en Zuid-Amerika
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afspraakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afspraakjes | verkleinwoord, meervoud |
| afspraken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van af en spraak
Woordfamilie van afspraak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afspraakjes | verkleinwoord meervoud | afspraak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afspraak zijn vastgelegd.