muiten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmœytə(n)Betekenis
- het in opstand komen tegen wettige autoriteit (specifiek voor militairen of bemanningen van schepen)
- het jeugdkleed verwisselen voor het verenkleed van de volwassen vogel
Hoe spreek je muiten uit?
/ˈmœytən/
Muiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van muiten
muitenhele werkwoord — muitteverleden tijd enkelvoud — muittenverleden tijd meervoud — gemuitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | muit | muitte |
| jij | muit | muitte |
| hij, zij, het | muit | muitte |
| wij | muiten | muitten |
| jullie | muiten | muitten |
| zij | muiten | muitten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemuit | verleden tijd, deelwoord |
| gemuit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemuit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| muit | gebiedende wijs |
| muite | aanvoegende wijs |
| muitend | onvoltooid, deelwoord |
| muitte | verleden tijd |
| te hebben gemuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te muiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen muiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt muiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen muiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult muiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord muit
- meervoud van het zelfstandig naamwoord muite
Herkomst
In de betekenis van ‘oproer maken’ voor het eerst aangetroffen in 1358
Woordfamilie van muiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemuit | voltooid deelwoord | muiten |
| muitend | onvoltooid deelwoord | muiten |
| muitende | woordvorm | muiten |
| muitte | verleden tijd | muiten |
| muitten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | muiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van muiten zijn vastgelegd.