stuiten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstœytə(n)Betekenis
- een beweging tot staan brengen
- door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
- plotseling iets tegenkomen
Hoe spreek je stuiten uit?
/ˈstœytən/
Stuiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| œy | huis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stuiten
stuitenhele werkwoord — stuitteverleden tijd enkelvoud — stuittenverleden tijd meervoud — gestuitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stuit | stuitte |
| jij | stuit | stuitte |
| hij, zij, het | stuit | stuitte |
| wij | stuiten | stuitten |
| jullie | stuiten | stuitten |
| zij | stuiten | stuitten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestuit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestuit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestuit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestuit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestuit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestuit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestuit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestuit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestuit | verleden tijd, deelwoord |
| gestuit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestuit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestuit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestuit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestuit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestuit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestuit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestuit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestuit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestuit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stuit | gebiedende wijs |
| stuite | aanvoegende wijs |
| stuitend | onvoltooid, deelwoord |
| stuitte | verleden tijd |
| te hebben gestuit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stuiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestuit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestuit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestuit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestuit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestuit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestuit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestuit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestuit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stuiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestuit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestuit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestuit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stuiten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stuit
Herkomst
In de betekenis van ‘tot staan brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van stuiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestuit | voltooid deelwoord | stuiten |
| gestuite | woordvorm | stuiten |
| stuite | aanvoegende wijs | stuiten |
| stuitte | verleden tijd | stuiten |
| stuitten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stuiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuiten zijn vastgelegd.