Naar de inhoud

uiten

zich ~: uiting geven aan gevoelens

uiten

werkwoord ˈœytə(n)

Betekenis

  1. zich ~: uiting geven aan gevoelens
  2. zeggen

Hoe spreek je uiten uit?

/ˈœytən/

Uiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uiten

uitenhele werkwoord — uitteverleden tijd enkelvoud — uittenverleden tijd meervoud — geuitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik uit uitte
jij uit uitte
hij, zij, het uit uitte
wij uiten uitten
jullie uiten uitten
zij uiten uitten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geuit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geuit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geuit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geuit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geuit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geuit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geuit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geuit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geuit verleden tijd, deelwoord
geuit te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geuit te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geuit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geuit te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geuit te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geuit worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geuit zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geuit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geuit zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geuit zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geuit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te uiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit gebiedende wijs
uit je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
uit me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
uit u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
uit u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uit u/je , uit je gebiedende wijs
uit zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
uit zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
uit zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uite aanvoegende wijs
uite zich aanvoegende wijs
uiten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uiten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uiten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uitend onvoltooid, deelwoord
uitte verleden tijd
uitte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
uitte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
uitte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
uitte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
uitte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
uitte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
uitte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
uitten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
uitten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
uitten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
waart geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geuit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geuit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geuit voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geuit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geuit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geuit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geuit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geuit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geuit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me uiten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uiten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich uiten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uiten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich geuit hebben verleden tijd
zich uitend onvoltooid, deelwoord
zijn geuit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geuit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geuit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geuit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geuit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geuit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geuit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geuit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geuit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geuit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Afgeleid van uit.

Woordfamilie van uiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geuit voltooid deelwoord uiten
uite aanvoegende wijs uiten
uitend onvoltooid deelwoord uiten
uitende woordvorm uiten
uitte verleden tijd uiten
uitten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uiten

Hoe spreek je uiten uit?
De uitspraak van uiten is: /ˈœytə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uiten?
Uiten is een werkwoord. Het woord betekent: zich ~: uiting geven aan gevoelens. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uiten?
Je vervoegt uiten als volgt: de tegenwoordige tijd is uit, de verleden tijd is uitte en het voltooid deelwoord is geuit. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op uiten?

Uiten rijmt op 23 woorden op -iten; fluiten, muiten en besluiten bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op uiten, uitspraak ˈœytən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
fluiten 2
muiten 2
besluiten 3
buiten 2
sluiten 2
snuiten 2
spruiten 2
spuiten 2
erbuiten 3
hierbuiten 3
daarbuiten 3
vanbuiten 3
ruiten 2
stuiten 2
binnenstebuiten 5
achterkajuiten 5
bloemenspuiten 4
boerenfluiten 4
gruiten 2
kachelruiten 4
oversluiten 4
tuiten 2
verspuiten 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uiten is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uiten levert met Wordfeud minimaal 8 en maximaal 36 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. E 1
  5. N 1
  6. 8 zonder bonus
  7. 36 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uiten telt 5 letters, waarvan 5 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

uiten in het kort

uiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uiten zijn 102 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uiten bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uiten: zich ~: uiting geven aan gevoelens
Deel uiten — standaardnederlands.nl