buiten
voorzetsel, bijwoord, zelfstandig naamwoord ˈbœytə(n)Betekenis
- niet ingesloten in het genoemde
- in de buitenlucht dus niet in een gebouw
- Hij sloot de kat buiten.
- platteland
- buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed
Hoe spreek je buiten uit?
/ˈbœytən/
Buiten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord:
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord:
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van buiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitens | meervoud | buiten |
| buitentje | woordvorm | buiten |
| buitentjes | meervoud | buiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buiten zijn vastgelegd.