ruien
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (van vogels) op regelmatige tijden van veren wisselen.
werkwoord
- op regelmatige tijden van veren wisselen.
Vervoeging van ruien
ruienhele werkwoord — ruideverleden tijd enkelvoud — ruidenverleden tijd meervoud — geruidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rui | ruide |
| jij | ruit | ruide |
| hij, zij, het | ruit | ruide |
| wij | ruien | ruiden |
| jullie | ruien | ruiden |
| zij | ruien | ruiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geruid | verleden tijd, deelwoord |
| geruid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geruid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geruid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geruid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geruid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rui | gebiedende wijs |
| ruide | verleden tijd |
| ruie | aanvoegende wijs |
| ruiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geruid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ruien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ruien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geruid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ruien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ruien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geruid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ruien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rui
Herkomst
In de betekenis van ‘periodiek haren verliezen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Woordfamilie van ruien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geruid | voltooid deelwoord | ruien |
| ruide | verleden tijd | ruien |
| ruiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ruien |
| ruie | aanvoegende wijs | ruien |
| ruiend | onvoltooid deelwoord | ruien |
| ruiende | woordvorm | ruien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruien zijn vastgelegd.