Naar de inhoud

kruisen

zich kruiselings heen en weer bewegen

kruisen is meer dan één woord

kruisen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. zich kruiselings heen en weer bewegen
  2. laveren
  3. zich verplaatsen met gewone snelheid
  4. aan een kruis slaan, kruisigen
  5. kruiselings plaatsen
  6. bevruchting laten plaatsvinden tussen exemplaren van verschillend soort of ras
  7. kruispunt maken
  8. snijden, oversteken

Vervoeging van kruisen

kruisenhele werkwoord — kruisteverleden tijd enkelvoud — kruistenverleden tijd meervoud — gekruistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kruis kruiste
jij kruist kruiste
hij, zij, het kruist kruiste
wij kruisen kruisten
jullie kruisen kruisten
zij kruisen kruisten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekruist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekruist impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekruist impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekruist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekruist worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekruist zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekruist worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekruist zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekruist verleden tijd, deelwoord
gekruist te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekruist te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekruist te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruist te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruist te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekruist worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekruist zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekruist zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekruist zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekruist zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kruis gebiedende wijs
kruise aanvoegende wijs
kruisend onvoltooid, deelwoord
kruiste verleden tijd
te hebben gekruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kruisen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekruist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekruist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kruisen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekruist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekruist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kruisen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord kruis

Herkomst

In de betekenis van ‘een kruis doen vormen, snijden’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Woordfamilie van kruisen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kruise aanvoegende wijs kruisen
kruisend onvoltooid deelwoord kruisen
kruisende woordvorm kruisen
kruist aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kruisen
kruiste verleden tijd kruisen
kruisten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kruisen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruisen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over kruisen

Wat is de betekenis van kruisen?
Kruisen is een werkwoord. De betekenis is: zich kruiselings heen en weer bewegen. In totaal staan er 8 betekenissen.
Hoe vervoeg ik kruisen?
Zo vervoeg je kruisen zo: de tegenwoordige tijd is kruis, de verleden tijd is kruiste en het voltooid deelwoord is gekruist. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kruisen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. R 2
  3. U 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kruisen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 97 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. R 2
  3. U 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 97 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

kruisen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

kruisen in het kort

kruisen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 8 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van kruisen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort kruisen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

kruisen: zich kruiselings heen en weer bewegen
Deel kruisen — standaardnederlands.nl