koning
zelfstandig naamwoord ˈkonɪŋBetekenis
- het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
- het stuk dat, wanneer het verslagen wordt, tot direct verlies leidt
- iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
- heer
Hoe spreek je koning uit?
/ˈkonɪŋ/
Koning bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het belangrijkste stuk van het spel, dat bij schaakmat tot direct verlies leidt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koningen | meervoud |
| koninkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koninkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘regerend vorst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van koning
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koningen | meervoud | koning |
| konings | masculine | koning |
| koninkje | verkleinwoord | koning |
| koninkjes | verkleinwoord meervoud | koning |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koning zijn vastgelegd.