gispen
werkwoord ˈɣɪspə(n)Betekenis
- iemand met een gisp, een dunne roede of smalle riem slaan
- overdrachtelijk iemand scherp bekritiseren, fel uithalen naar iemand
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je gispen uit?
/ˈxɪspən/
Gispen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets of iemand scherp bekritiseren figuratively, transitive
- fel uithalen figuratively, unergative
Vervoeging van gispen
gispenhele werkwoord — gispteverleden tijd enkelvoud — gisptenverleden tijd meervoud — gegisptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gisp | gispte |
| jij | gispt | gispte |
| hij, zij, het | gispt | gispte |
| wij | gispen | gispten |
| jullie | gispen | gispten |
| zij | gispen | gispten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegispt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegispt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegispt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegispt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegispt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegispt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegispt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegispt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegispt | verleden tijd, deelwoord |
| gegispt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegispt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegispt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegispt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegispt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegispt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegispt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegispt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegispt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegispt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gisp | gebiedende wijs |
| gispe | aanvoegende wijs |
| gispend | onvoltooid, deelwoord |
| gispte | verleden tijd |
| had gegispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegispt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gispen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegispt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gispen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegispt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegispt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegispt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gispen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegispt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegispt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Verbalisering van ghispe ("gisp"), mogelijk verwant met gesel. In de betekenis van ‘laken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626
Woordfamilie van gispen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegispt | voltooid deelwoord | gispen |
| gegispte | woordvorm | gispen |
| gisp | gebiedende wijs | gispen |
| gispe | aanvoegende wijs | gispen |
| gispend | onvoltooid deelwoord | gispen |
| gispende | woordvorm | gispen |
| gispt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gispen |
| gispte | verleden tijd | gispen |
| gispten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gispen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gispen zijn vastgelegd.