bis
tussenwerpsel, werkwoord, zelfstandig naamwoord /bis/Betekenis
- nog eens roep vanuit het publiek om een toegift
- een met een halve toon verhoogde toon 'b'
- de grondtoon (tonica) van de “bis-mineurtoonladder”, een toonladder met 9 kruisen als voortekens, tevens een korte aanduiding van die toonladder
- de grondtoon van het “bis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
- extra toevoegsel bij een huisnummer (meestal worden hiervoor echter de letters van het alfabet gebruikt)
- tot
- twintig
- bus
- tweemaal
- bis
Hoe spreek je bis uit?
/bis/
Bis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| i | riet |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als bies.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bissen
- gebiedende wijs van bissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bissen
Vervoeging van bis
bishele werkwoord
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een met een halve toon verhoogde toon "b"
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijwoord: tweemaal, nog een keer (in de muziek)’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van bis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bisje | woordvorm | bis |
| bisjes | meervoud | bis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bis zijn vastgelegd.