gist
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord ɣistBetekenis
- de naam voor een aantal soorten eukaryote micro-organismen
Hoe spreek je gist uit?
/xist/
Gist bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| i | riet |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor een aantal soorten eencellige schimmels
- eencellige schimmels gebruikt om gerechten te laten rijzen of fermenteren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
- gebiedende wijs meervoud van gissen
Vervoeging van gist
gisthele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van gisten
- gebiedende wijs van gisten
Vervoeging van gist
gisthele werkwoord
Woordvorm
- onverbogen vorm van de overtreffende trap van gis
Herkomst
In de betekenis van ‘rijsmiddel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1461