Naar de inhoud

drooglopen

droog komen te staan bij eb

drooglopen is meer dan één woord

drooglopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. droog komen te staan bij eb
  2. vastlopen door gebrek aan vloeistof

Vervoeging van drooglopen

drooglopenhele werkwoord — liep droogverleden tijd enkelvoud — liepen droogverleden tijd meervoud — drooggelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop droog liep droog
jij loopt droog liep droog
hij, zij, het loopt droog liep droog
wij lopen droog liepen droog
jullie lopen droog liepen droog
zij lopen droog liepen droog
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
droog te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
droog te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
droog zal lopen bijzin, toekomende tijd
droog zou lopen bijzin, voorwaardelijk
droog zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
droog zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
droog zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
droog zullen lopen bijzin, toekomende tijd
droog zult lopen bijzin, toekomende tijd
drooggelopen verleden tijd, deelwoord
drooggelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
drooggelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
droogliep bijzin, verleden tijd
droogliepen bijzin, verleden tijd
droogloop bijzin, tegenwoordige tijd
droogloopt bijzin, tegenwoordige tijd
drooglopend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
is drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep droog verleden tijd
loop droog gebiedende wijs
te zijn drooggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen drooglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart drooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren drooggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren drooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren drooggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was drooggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was drooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was drooggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal drooglopen bijzin, toekomende tijd
zijn drooggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt drooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou drooglopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) drooglopen droog zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden drooglopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt drooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt drooglopen bijzin, voorwaardelijk
zullen drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen drooglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen drooglopen bijzin, toekomende tijd
zult drooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult drooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult drooglopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal drooglopen droog zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord droogloop

Herkomst

samenstelling van droog en lopen

Woordfamilie van drooglopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
drooggelopen voltooid deelwoord drooglopen
droogliep subordinate-clause, verleden tijd drooglopen
droogliepen subordinate-clause, verleden tijd drooglopen
droogloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd drooglopen
drooglope with-subordinate-clause drooglopen
drooglopend onvoltooid deelwoord drooglopen
drooglopende woordvorm drooglopen
liep droog verleden tijd drooglopen
liepen droog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon drooglopen
loop droog gebiedende wijs drooglopen
loopt droog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon drooglopen
lope droog woordvorm drooglopen
lopen droog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon drooglopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drooglopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over drooglopen

Wat betekent drooglopen?
Drooglopen is een werkwoord. Het woord betekent: droog komen te staan bij eb. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je drooglopen?
Je vervoegt drooglopen als volgt: het voltooid deelwoord is drooggelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord drooglopen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. O 1
  5. G 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

drooglopen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. O 1
  5. G 3
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

drooglopen in het kort

drooglopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van drooglopen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort drooglopen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

drooglopen: droog komen te staan bij eb
Deel drooglopen — standaardnederlands.nl