drooglopen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- droog komen te staan bij eb
- vastlopen door gebrek aan vloeistof
Vervoeging van drooglopen
drooglopenhele werkwoord — liep droogverleden tijd enkelvoud — liepen droogverleden tijd meervoud — drooggelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop droog | liep droog |
| jij | loopt droog | liep droog |
| hij, zij, het | loopt droog | liep droog |
| wij | lopen droog | liepen droog |
| jullie | lopen droog | liepen droog |
| zij | lopen droog | liepen droog |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| droog te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| droog te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| droog zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| droog zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droog zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| droog zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| drooggelopen | verleden tijd, deelwoord |
| drooggelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| drooggelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droogliep | bijzin, verleden tijd |
| droogliepen | bijzin, verleden tijd |
| droogloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| droogloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| drooglopend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep droog | verleden tijd |
| loop droog | gebiedende wijs |
| te zijn drooggelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen drooglopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart drooggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren drooggelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren drooggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren drooggelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was drooggelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was drooggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was drooggelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal drooglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn drooggelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt drooggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou drooglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) drooglopen droog zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden drooglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt drooggelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt drooglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen drooglopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen drooglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult drooggelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult drooglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult drooglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal drooglopen droog zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord droogloop
Herkomst
samenstelling van droog en lopen
Woordfamilie van drooglopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drooggelopen | voltooid deelwoord | drooglopen |
| droogliep | subordinate-clause, verleden tijd | drooglopen |
| droogliepen | subordinate-clause, verleden tijd | drooglopen |
| droogloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | drooglopen |
| drooglope | with-subordinate-clause | drooglopen |
| drooglopend | onvoltooid deelwoord | drooglopen |
| drooglopende | woordvorm | drooglopen |
| liep droog | verleden tijd | drooglopen |
| liepen droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | drooglopen |
| loop droog | gebiedende wijs | drooglopen |
| loopt droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | drooglopen |
| lope droog | woordvorm | drooglopen |
| lopen droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | drooglopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drooglopen zijn vastgelegd.