droogstaan
werkwoord ˈdroxstanBetekenis
- gebrek aan een of andere vloeistof vertonen:
Hoe spreek je droogstaan uit?
/ˈdroxstan/
Droogstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| o | boot |
| x | acht |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van droogstaan
droogstaanhele werkwoord — stond droogverleden tijd enkelvoud — stonden droogverleden tijd meervoud — drooggestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta droog | stond droog |
| jij | staat droog | stond droog |
| hij, zij, het | staat droog | stond droog |
| wij | staan droog | stonden droog |
| jullie | staan droog | stonden droog |
| zij | staan droog | stonden droog |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| droog te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| droog te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| droog zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| droog zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| droog zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droog zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| droog zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| drooggestaan | verleden tijd, deelwoord |
| drooggestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| drooggestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| droogsta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| droogstaand | onvoltooid, deelwoord |
| droogstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| droogstond | bijzin, verleden tijd |
| droogstonden | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had drooggestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had drooggestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had drooggestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden drooggestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden drooggestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden drooggestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt drooggestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben drooggestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft drooggestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta droog | gebiedende wijs |
| stond droog | verleden tijd |
| te hebben drooggestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen droogstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal droogstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou droogstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) droogstaan droog zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden droogstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt drooggestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt droogstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen droogstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen droogstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult drooggestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult droogstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult droogstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal droogstaan droog zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van droog en staan
Woordfamilie van droogstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| drooggestaan | voltooid deelwoord | droogstaan |
| droogsta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | droogstaan |
| droogstaand | onvoltooid deelwoord | droogstaan |
| droogstaande | woordvorm | droogstaan |
| droogstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | droogstaan |
| droogstond | subordinate-clause, verleden tijd | droogstaan |
| droogstonden | subordinate-clause, verleden tijd | droogstaan |
| sta droog | gebiedende wijs | droogstaan |
| staan droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | droogstaan |
| staat droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | droogstaan |
| stond droog | verleden tijd | droogstaan |
| stonden droog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | droogstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van droogstaan zijn vastgelegd.