afdammen
werkwoordBetekenis
- een water met een dam of damwand afsluiten
Vervoeging van afdammen
afdammenhele werkwoord — damde afverleden tijd enkelvoud — damden afverleden tijd meervoud — afgedamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dam af | damde af |
| jij | damt af | damde af |
| hij, zij, het | damt af | damde af |
| wij | dammen af | damden af |
| jullie | dammen af | damden af |
| zij | dammen af | damden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te dammen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen dammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal dammen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou dammen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden dammen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt dammen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen dammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen dammen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult dammen | bijzin, toekomende tijd |
| afdam | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdamde | bijzin, verleden tijd |
| afdamden | bijzin, verleden tijd |
| afdammend | onvoltooid, deelwoord |
| afdamt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgedamd | verleden tijd, deelwoord |
| afgedamd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedamd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgedamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedamd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedamd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedamd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedamd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgedamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedamd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgedamd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dam af | gebiedende wijs |
| damde af | verleden tijd |
| er is afgedamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgedamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgedamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgedamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgedamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgedamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgedamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgedamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgedamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgedamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdammen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgedamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdammen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdammen af zou(dt) dammen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdammen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdammen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgedamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdammen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdammen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgedamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgedamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedamd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdammen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en dammen ww
Woordfamilie van afdammen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdam | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdammen |
| afdamde | subordinate-clause, verleden tijd | afdammen |
| afdamden | subordinate-clause, verleden tijd | afdammen |
| afdamme | with-subordinate-clause | afdammen |
| afdammend | onvoltooid deelwoord | afdammen |
| afdammende | woordvorm | afdammen |
| afdamt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdammen |
| afgedamd | voltooid deelwoord | afdammen |
| afgedamde | woordvorm | afdammen |
| dam af | gebiedende wijs | afdammen |
| damde af | verleden tijd | afdammen |
| damden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdammen |
| damme af | woordvorm | afdammen |
| dammen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdammen |
| damt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdammen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdammen zijn vastgelegd.