hinderen
werkwoord /'ɦɪndərə(n)/Betekenis
- de voortgang verstoren
- iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
Hoe spreek je hinderen uit?
/ˈhɪndərən/
Hinderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van hinderen
hinderenhele werkwoord — hinderdeverleden tijd enkelvoud — hinderdenverleden tijd meervoud — gehinderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hinder | hinderde |
| jij | hindert | hinderde |
| hij, zij, het | hindert | hinderde |
| wij | hinderen | hinderden |
| jullie | hinderen | hinderden |
| zij | hinderen | hinderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehinderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehinderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehinderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehinderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehinderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehinderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehinderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehinderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehinderd | verleden tijd, deelwoord |
| gehinderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehinderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hinder | gebiedende wijs |
| hinderde | verleden tijd |
| hindere | aanvoegende wijs |
| hinderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hinderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van hinderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehinderd | voltooid deelwoord | hinderen |
| gehinderde | woordvorm | hinderen |
| hinderde | verleden tijd | hinderen |
| hinderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hinderen |
| hindere | aanvoegende wijs | hinderen |
| hinderend | onvoltooid deelwoord | hinderen |
| hinderende | woordvorm | hinderen |
| hindert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hinderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hinderen zijn vastgelegd.