opstoppen
werkwoordBetekenis
- volstoppen, opvullen
- stoppen, stuiten
Vervoeging van opstoppen
opstoppenhele werkwoord — stopte opverleden tijd enkelvoud — stopten opverleden tijd meervoud — opgestoptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stop op | stopte op |
| jij | stopt op | stopte op |
| hij, zij, het | stopt op | stopte op |
| wij | stoppen op | stopten op |
| jullie | stoppen op | stopten op |
| zij | stoppen op | stopten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgestopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgestopt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgestopt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgestopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgestopt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgestopt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgestopt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgestopt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal stoppen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou stoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden stoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt stoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen stoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen stoppen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult stoppen | bijzin, toekomende tijd |
| opgestopt | verleden tijd, deelwoord |
| opgestopt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestopt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestopt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestopt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestopt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestopt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestopt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestopt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opstop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstoppend | onvoltooid, deelwoord |
| opstopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstopte | bijzin, verleden tijd |
| opstopten | bijzin, verleden tijd |
| stop op | gebiedende wijs |
| stopte op | verleden tijd |
| te hebben opgestopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opstoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgestopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgestopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgestopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgestopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgestopt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestopt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opstoppen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgestopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opstoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opstoppen op zou(dt) stoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opstoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgestopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opstoppen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgestopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestopt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestopt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestopt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opstoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opstoppen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opstoppen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgestopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en stoppen
Woordfamilie van opstoppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgestopt | voltooid deelwoord | opstoppen |
| opgestopte | woordvorm | opstoppen |
| opstop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstoppen |
| opstoppe | with-subordinate-clause | opstoppen |
| opstoppend | onvoltooid deelwoord | opstoppen |
| opstoppende | woordvorm | opstoppen |
| opstopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstoppen |
| opstopte | subordinate-clause, verleden tijd | opstoppen |
| opstopten | subordinate-clause, verleden tijd | opstoppen |
| stop op | gebiedende wijs | opstoppen |
| stoppe op | woordvorm | opstoppen |
| stoppen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opstoppen |
| stopt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opstoppen |
| stopte op | verleden tijd | opstoppen |
| stopten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstoppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstoppen zijn vastgelegd.