afsluiten
werkwoord /'ɑf.slœy.tə(n)/Betekenis
- zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
- zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
- een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
- een einde maken aan
- zich afsluiten voor: geen contact willen hebben met
Hoe spreek je afsluiten uit?
/ˈɑfslœytən/
Afsluiten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afsluiten
afsluitenhele werkwoord — sloot afverleden tijd enkelvoud — sloten afverleden tijd meervoud — afgeslotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sluit af | sloot af |
| jij | sluit af | sloot af |
| hij, zij, het | sluit af | sloot af |
| wij | sluiten af | sloten af |
| jullie | sluiten af | sloten af |
| zij | sluiten af | sloten af |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen sluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult sluiten | bijzin, toekomende tijd |
| afgesloten | verleden tijd, deelwoord |
| afgesloten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesloten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesloten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesloten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesloten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesloten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesloten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesloten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesloten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesloten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afsloot | bijzin, verleden tijd |
| afsloten | bijzin, verleden tijd |
| afsluit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsluitend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgesloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgesloten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgesloten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgesloten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgesloten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgesloten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgesloten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgesloten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sloot af | verleden tijd |
| sluit af | gebiedende wijs |
| te hebben afgesloten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afsluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgesloten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgesloten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgesloten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgesloten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afsluiten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgesloten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afsluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afsluiten af zou(dt) sluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afsluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesloten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesloten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afsluiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesloten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afsluiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afsluiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afsluiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgesloten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgesloten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en sluiten ww
Woordfamilie van afsluiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesloten | voltooid deelwoord | afsluiten |
| afsluit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afsluiten |
| afsluite | with-subordinate-clause | afsluiten |
| sluit af | gebiedende wijs | afsluiten |
| sluite af | woordvorm | afsluiten |
| sluiten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afsluiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsluiten zijn vastgelegd.