verhinderen
werkwoordBetekenis
- voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
Vervoeging van verhinderen
verhinderenhele werkwoord — verhinderdeverleden tijd enkelvoud — verhinderdenverleden tijd meervoud — verhinderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhinder | verhinderde |
| jij | verhindert | verhinderde |
| hij, zij, het | verhindert | verhinderde |
| wij | verhinderen | verhinderden |
| jullie | verhinderen | verhinderden |
| zij | verhinderen | verhinderden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhinderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verhinderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verhinderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verhinderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verhinderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verhinderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verhinderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verhinderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhinderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhinder | gebiedende wijs |
| verhinderd | verleden tijd, deelwoord |
| verhinderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhinderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhinderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhinderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhinderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhinderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhinderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhinderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhinderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhinderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhinderde | verleden tijd |
| verhindere | aanvoegende wijs |
| verhinderend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhinderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verhinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhinderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verhinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhinderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhinderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van hinderen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verhinderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhinder | gebiedende wijs | verhinderen |
| verhinderd | voltooid deelwoord | verhinderen |
| verhinderde | verleden tijd | verhinderen |
| verhinderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhinderen |
| verhindere | aanvoegende wijs | verhinderen |
| verhinderend | onvoltooid deelwoord | verhinderen |
| verhinderende | woordvorm | verhinderen |
| verhindert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhinderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhinderen zijn vastgelegd.