kladderen
werkwoord /ˈklɑdərə(n)/Betekenis
- slecht of onverzorgd schrijven
- nat- of vuilmaken door gemors of gesmeer
Hoe spreek je kladderen uit?
/ˈklɑdərən/
Kladderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɑ | bad |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kladderen
kladderenhele werkwoord — kladderdeverleden tijd enkelvoud — kladderdenverleden tijd meervoud — gekladderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kladder | kladderde |
| jij | kladdert | kladderde |
| hij, zij, het | kladdert | kladderde |
| wij | kladderen | kladderden |
| jullie | kladderen | kladderden |
| zij | kladderen | kladderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekladderd | verleden tijd, deelwoord |
| gekladderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekladderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekladderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekladderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekladderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekladderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekladderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekladderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekladderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kladder | gebiedende wijs |
| kladderde | verleden tijd |
| kladdere | aanvoegende wijs |
| kladderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekladderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kladderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kladderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekladderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kladderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekladderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kladderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van kladderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekladderd | voltooid deelwoord | kladderen |
| gekladderde | woordvorm | kladderen |
| kladder | gebiedende wijs | kladderen |
| kladderde | verleden tijd | kladderen |
| kladderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kladderen |
| kladdere | aanvoegende wijs | kladderen |
| kladderend | onvoltooid deelwoord | kladderen |
| kladderende | woordvorm | kladderen |
| kladdert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kladderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kladderen zijn vastgelegd.