wijsmaken
werkwoordBetekenis
- iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
- In principe is het werkwoord ditransitief, maar meewerkende vormen met krijgen zijn zeldzaam; lijdende vormen zijn vaak onpersoonlijk
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wijsmaken
wijsmakenhele werkwoord — maakte wijsverleden tijd enkelvoud — maakten wijsverleden tijd meervoud — wijsgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak wijs | maakte wijs |
| jij | maakt wijs | maakte wijs |
| hij, zij, het | maakt wijs | maakte wijs |
| wij | maken wijs | maakten wijs |
| jullie | maken wijs | maakten wijs |
| zij | maken wijs | maakten wijs |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is wijsgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was wijsgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd wijsgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt wijsgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal wijsgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal wijsgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou wijsgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou wijsgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben wijsgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak wijs | gebiedende wijs |
| maakte wijs | verleden tijd |
| te hebben wijsgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wijsmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was wijsgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd wijsgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden wijsgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wijs te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| wijs te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wijs zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| wijs zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| wijs zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| wijs zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| wijs zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wijs zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| wijs zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| wijsgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| wijsgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| wijsgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| wijsgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wijsgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wijsgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wijsgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| wijsgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| wijsgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wijsgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wijsgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wijsmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wijsmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wijsmaakte | bijzin, verleden tijd |
| wijsmaakten | bijzin, verleden tijd |
| wijsmakend | onvoltooid, deelwoord |
| worden wijsgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt wijsgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wijsgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal wijsgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wijsmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn wijsgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijsgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou wijsgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wijsmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wijsmaken wijs zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijsgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijsgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wijsmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt wijsgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wijsmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijsgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijsgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijsmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wijsmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult wijsgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wijsmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wijsmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wijsmaken wijs zult/zal maken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van wijs en maken
Woordfamilie van wijsmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak wijs | gebiedende wijs | wijsmaken |
| maakt wijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wijsmaken |
| maakte wijs | verleden tijd | wijsmaken |
| maakten wijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wijsmaken |
| make wijs | woordvorm | wijsmaken |
| maken wijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wijsmaken |
| wijsgemaakt | voltooid deelwoord | wijsmaken |
| wijsgemaakte | woordvorm | wijsmaken |
| wijsmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wijsmaken |
| wijsmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wijsmaken |
| wijsmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | wijsmaken |
| wijsmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | wijsmaken |
| wijsmake | with-subordinate-clause | wijsmaken |
| wijsmakend | onvoltooid deelwoord | wijsmaken |
| wijsmakende | woordvorm | wijsmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijsmaken zijn vastgelegd.