Naar de inhoud

wijsmaken

iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven

wijsmaken

werkwoord

Betekenis

  1. iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
  2. In principe is het werkwoord ditransitief, maar meewerkende vormen met krijgen zijn zeldzaam; lijdende vormen zijn vaak onpersoonlijk
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van wijsmaken

wijsmakenhele werkwoord — maakte wijsverleden tijd enkelvoud — maakten wijsverleden tijd meervoud — wijsgemaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik maak wijs maakte wijs
jij maakt wijs maakte wijs
hij, zij, het maakt wijs maakte wijs
wij maken wijs maakten wijs
jullie maken wijs maakten wijs
zij maken wijs maakten wijs
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is wijsgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was wijsgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd wijsgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt wijsgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal wijsgemaakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal wijsgemaakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou wijsgemaakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou wijsgemaakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben wijsgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
maak wijs gebiedende wijs
maakte wijs verleden tijd
te hebben wijsgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wijsmaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was wijsgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd wijsgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden wijsgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
wijs te maken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
wijs te zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wijs zal maken bijzin, toekomende tijd
wijs zou maken bijzin, voorwaardelijk
wijs zouden maken bijzin, voorwaardelijk
wijs zoudt maken bijzin, voorwaardelijk
wijs zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
wijs zullen maken bijzin, toekomende tijd
wijs zult maken bijzin, toekomende tijd
wijsgemaakt verleden tijd, deelwoord
wijsgemaakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
wijsgemaakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
wijsgemaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
wijsgemaakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wijsgemaakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
wijsgemaakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
wijsgemaakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
wijsgemaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wijsgemaakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
wijsgemaakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wijsmaak bijzin, tegenwoordige tijd
wijsmaakt bijzin, tegenwoordige tijd
wijsmaakte bijzin, verleden tijd
wijsmaakten bijzin, verleden tijd
wijsmakend onvoltooid, deelwoord
worden wijsgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt wijsgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wijsgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal wijsgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wijsmaken bijzin, toekomende tijd
zijn wijsgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wijsgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou wijsgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wijsmaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) wijsmaken wijs zou(dt) maken bijzin, voorwaardelijk
zouden wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wijsgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wijsgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wijsmaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt wijsgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wijsmaken bijzin, voorwaardelijk
zullen wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wijsgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wijsgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wijsmaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wijsmaken bijzin, toekomende tijd
zult wijsgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wijsmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult wijsmaken bijzin, toekomende tijd
zult/zal wijsmaken wijs zult/zal maken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van wijs en maken

Woordfamilie van wijsmaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
maak wijs gebiedende wijs wijsmaken
maakt wijs aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wijsmaken
maakte wijs verleden tijd wijsmaken
maakten wijs aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wijsmaken
make wijs woordvorm wijsmaken
maken wijs aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wijsmaken
wijsgemaakt voltooid deelwoord wijsmaken
wijsgemaakte woordvorm wijsmaken
wijsmaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd wijsmaken
wijsmaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd wijsmaken
wijsmaakte subordinate-clause, verleden tijd wijsmaken
wijsmaakten subordinate-clause, verleden tijd wijsmaken
wijsmake with-subordinate-clause wijsmaken
wijsmakend onvoltooid deelwoord wijsmaken
wijsmakende woordvorm wijsmaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijsmaken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wijsmaken

Wat is de betekenis van wijsmaken?
Wijsmaken is een werkwoord. De betekenis is: iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wijsmaken?
Zo vervoeg je wijsmaken zo: het voltooid deelwoord is wijsgemaakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wijsmaken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. I 1
  3. J 4
  4. S 2
  5. M 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wijsmaken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. I 2
  3. J 4
  4. S 2
  5. M 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wijsmaken in het kort

wijsmaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wijsmaken staan er 78 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wijsmaken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wijsmaken: iemand iets ~ in de waan brengen, een onwaarheid doen geloven
Deel wijsmaken — standaardnederlands.nl