voet
zelfstandig naamwoord vutBetekenis
- voortzetting van het been beneden de enkel; lichaamsdeel waar een mens en dier op staan
- de bodem van iets, specifiek iets dat ter ondersteuning dient
- oude lengtemaat, de exacte lengte is streekafhankelijk, bijvoorbeeld de Engelse voet is 0,3048 meter, de Amsterdamse voet was 0,283 meter
- oude oppervlaktemaat, de exacte lengte is streekafhankelijk
- afdruk van een voet
- basis op grond waarvan iets berekend, bepaald wordt (ruilvoet)
- te voet gaan: lopen
- de onderkant van een natuurlijke verhoging (zoals een berg of heuvel) of kunstmatige verhoging (zoals bijvoorbeeld een toren)
Hoe spreek je voet uit?
/vut/
Voet bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| u | boek |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als voed.
zelfstandig naamwoord — masculine
- afdruk van een voet [1]
- basis op grond waarvan iets berekend of bepaald wordt (ruilvoet)
- basis, onderstuk, voetstuk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voeten | meervoud |
| voetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘lichaamsdeel waarop men staat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van voet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voeten | meervoud | voet |
| voetje | verkleinwoord | voet |
| voetjes | verkleinwoord meervoud | voet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voet zijn vastgelegd.