voetbal
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈvut.bɑɫ/Betekenis
- een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
- een bal die bij de bovengenoemde sport wordt gebruikt
- voetbalsport
Hoe spreek je voetbal uit?
/ˈvutbɑl/
Voetbal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| u | boek |
| t | tak |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voetballen | enkelvoud |
| voetballetje | verkleinwoord, tweede persoon |
| voetballetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voetballen
- gebiedende wijs van voetballen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voetballen
Vervoeging van voetbal
voetbalhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘leren bal voor de voetbalsport’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Woordfamilie van voetbal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voetballetje | verkleinwoord, 2e persoon | voetbal |
| voetballetjes | verkleinwoord | voetbal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voetbal zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- voetbalbond
- voetbalclub
- voetbalcoach
- voetbalcommentator
- voetbalcompetitie
- voetbalheld
- voetbalkalender
- voetbalknie
- voetbalkooi
- voetballand
- voetballiefhebber
- voetbalmakelaar
- voetbalploeg
- voetbalpool
- voetbalscheidsrechter
- voetbalschoen
- voetbalseizoen
- voetbalselectie
- voetbalshirt
- voetbalsport
- voetbalstadion
- voetbalster
- voetbalsupporter
- voetbaltalent