goed
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord ɣutBetekenis
- kwaliteit bezittend
- op goede wijze
- in hoge mate
- iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
- alle zaken en alle vermogensrechten (volgens de definitie van 3:1 BW)
Hoe spreek je goed uit?
/xut/
Goed bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| u | boek |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- kwaliteit bezittend, aan verwachtingen voldoend
- eerlijk en vriendelijk
- gezond, lekker
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- in hoge mate (vaak pejoratief)
- makkelijk, duidelijk
Herkomst
bn: erfwoord, in de betekenis van ‘niet slecht’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van goed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| goeder | woordvorm | goed |
| goederen | meervoud | goed |
| goedje | woordvorm | goed |
| goedjes | meervoud | goed |
| goeds | partitive, positive | goed |
| goeie | verbogen vorm | goed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goed zijn vastgelegd.