tol
zelfstandig naamwoord, werkwoord /tɔl/Betekenis
- een voorwerp dat om zijn as draait - draaitol
- een kinderspeeltuig dat met een zweepje tot draaiing gebracht wordt - zweeptol
- een plaats die men slechts tegen betaling voorbij mag gaan
- geld dat bij een tol geheven wordt
- duwen
- drie
Hoe spreek je tol uit?
/tɔl/
Tol bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een voorwerp dat om zijn as draait -> draaitol
- een kinderspeeltuig dat met een zweepje tot draaiing gebracht wordt -> zweeptol
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tollen | meervoud |
| tolletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tolletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tollen
- gebiedende wijs van tollen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tollen
Vervoeging van tol
tolhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘speelgoed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1437
Woordfamilie van tol
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tolletje | verkleinwoord | tol |
| tolletjes | verkleinwoord meervoud | tol |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tol zijn vastgelegd.