Naar de inhoud

tegensputteren

al mopperend protesteren

tegensputteren

werkwoord

Betekenis

  1. al mopperend protesteren

Vervoeging van tegensputteren

tegensputterenhele werkwoord — sputterde tegenverleden tijd enkelvoud — sputterden tegenverleden tijd meervoud — tegengesputterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sputter tegen sputterde tegen
jij sputtert tegen sputterde tegen
hij, zij, het sputtert tegen sputterde tegen
wij sputteren tegen sputterden tegen
jullie sputteren tegen sputterden tegen
zij sputteren tegen sputterden tegen
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had tegengesputterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tegengesputterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tegengesputterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tegengesputterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tegengesputterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tegengesputterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tegengesputterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengesputterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengesputterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sputter tegen gebiedende wijs
sputterde tegen verleden tijd
te hebben tegengesputterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tegensputteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen te sputteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegen te zullen sputteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen zal sputteren bijzin, toekomende tijd
tegen zou sputteren bijzin, voorwaardelijk
tegen zouden sputteren bijzin, voorwaardelijk
tegen zoudt sputteren bijzin, voorwaardelijk
tegen zullen sputteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegen zullen sputteren bijzin, toekomende tijd
tegen zult sputteren bijzin, toekomende tijd
tegengesputterd verleden tijd, deelwoord
tegengesputterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengesputterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegensputter bijzin, tegenwoordige tijd
tegensputterde bijzin, verleden tijd
tegensputterden bijzin, verleden tijd
tegensputterend onvoltooid, deelwoord
tegensputtert bijzin, tegenwoordige tijd
zal tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tegensputteren bijzin, toekomende tijd
zou tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tegensputteren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tegensputteren tegen zou(dt) sputteren bijzin, voorwaardelijk
zouden tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tegensputteren bijzin, voorwaardelijk
zoudt tegengesputterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tegensputteren bijzin, voorwaardelijk
zullen tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegensputteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tegensputteren bijzin, toekomende tijd
zult tegengesputterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tegensputteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tegensputteren bijzin, toekomende tijd
zult/zal tegensputteren tegen zult/zal sputteren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tegen en sputteren

Woordfamilie van tegensputteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sputter tegen gebiedende wijs tegensputteren
sputterde tegen verleden tijd tegensputteren
sputterden tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tegensputteren
sputtere tegen woordvorm tegensputteren
sputteren tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tegensputteren
sputtert tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tegensputteren
tegengesputterd voltooid deelwoord tegensputteren
tegensputter subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegensputteren
tegensputterde subordinate-clause, verleden tijd tegensputteren
tegensputterden subordinate-clause, verleden tijd tegensputteren
tegensputtere with-subordinate-clause tegensputteren
tegensputterend onvoltooid deelwoord tegensputteren
tegensputterende woordvorm tegensputteren
tegensputtert subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegensputteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegensputteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tegensputteren

Wat is de betekenis van tegensputteren?
Tegensputteren is een werkwoord. De betekenis is: al mopperend protesteren.
Hoe vervoeg ik tegensputteren?
Zo vervoeg je tegensputteren zo: het voltooid deelwoord is tegengesputterd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tegensputteren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. U 4
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tegensputteren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. U 2
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 25 zonder bonus
  16. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tegensputteren in het kort

tegensputteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tegensputteren staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tegensputteren bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tegensputteren: al mopperend protesteren
Deel tegensputteren — standaardnederlands.nl