tegensputteren
werkwoordBetekenis
- al mopperend protesteren
Vervoeging van tegensputteren
tegensputterenhele werkwoord — sputterde tegenverleden tijd enkelvoud — sputterden tegenverleden tijd meervoud — tegengesputterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sputter tegen | sputterde tegen |
| jij | sputtert tegen | sputterde tegen |
| hij, zij, het | sputtert tegen | sputterde tegen |
| wij | sputteren tegen | sputterden tegen |
| jullie | sputteren tegen | sputterden tegen |
| zij | sputteren tegen | sputterden tegen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengesputterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengesputterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengesputterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sputter tegen | gebiedende wijs |
| sputterde tegen | verleden tijd |
| te hebben tegengesputterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegensputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal sputteren | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou sputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden sputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt sputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen sputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen sputteren | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult sputteren | bijzin, toekomende tijd |
| tegengesputterd | verleden tijd, deelwoord |
| tegengesputterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengesputterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegensputter | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegensputterde | bijzin, verleden tijd |
| tegensputterden | bijzin, verleden tijd |
| tegensputterend | onvoltooid, deelwoord |
| tegensputtert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegensputteren | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegensputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegensputteren tegen zou(dt) sputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegensputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengesputterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegensputteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegensputteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegensputteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengesputterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegensputteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegensputteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegensputteren tegen zult/zal sputteren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tegen en sputteren
Woordfamilie van tegensputteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sputter tegen | gebiedende wijs | tegensputteren |
| sputterde tegen | verleden tijd | tegensputteren |
| sputterden tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegensputteren |
| sputtere tegen | woordvorm | tegensputteren |
| sputteren tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegensputteren |
| sputtert tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegensputteren |
| tegengesputterd | voltooid deelwoord | tegensputteren |
| tegensputter | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegensputteren |
| tegensputterde | subordinate-clause, verleden tijd | tegensputteren |
| tegensputterden | subordinate-clause, verleden tijd | tegensputteren |
| tegensputtere | with-subordinate-clause | tegensputteren |
| tegensputterend | onvoltooid deelwoord | tegensputteren |
| tegensputterende | woordvorm | tegensputteren |
| tegensputtert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegensputteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegensputteren zijn vastgelegd.