stuitbeen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervel|ruggenwervels
zelfstandig naamwoord — neuter
- onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stuitbeenderen | meervoud |
| stuitbeentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stuitbeentjes | verkleinwoord, meervoud |
| stuitbenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van stuit en been
Woordfamilie van stuitbeen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stuitbeenderen | meervoud | stuitbeen |
| stuitbeentje | verkleinwoord | stuitbeen |
| stuitbeentjes | verkleinwoord meervoud | stuitbeen |
| stuitbenen | meervoud | stuitbeen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuitbeen zijn vastgelegd.