Naar de inhoud

stuiteren

herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen

stuiteren

werkwoord ˈstœytərə(n)

Betekenis

  1. herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je stuiteren uit?

/ˈstœytərən/

Stuiteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈstœytərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
t tak
œy huis
ə de
r rood
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. herhaaldelijk vanaf een bodem kaatsend opspringen ergative
  2. zich door weerstanden die worden ontmoet schoksgewijs telkens in een andere richting bewegen ergative, figuratively
  3. met knikkers spelen unergative
  4. van de grond laten opspringen terwijl men zich verplaatst transitive
  5. in opgewonden toestand druk of woest bewegen figuratively, unergative

Vervoeging van stuiteren

stuiterenhele werkwoord — stuiterdeverleden tijd enkelvoud — stuiterdenverleden tijd meervoud — gestuiterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stuiter stuiterde
jij stuitert stuiterde
hij, zij, het stuitert stuiterde
wij stuiteren stuiterden
jullie stuiteren stuiterden
zij stuiteren stuiterden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gestuiterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gestuiterd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gestuiterd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gestuiterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gestuiterd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestuiterd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gestuiterd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestuiterd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gestuiterd verleden tijd, deelwoord
gestuiterd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestuiterd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestuiterd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestuiterd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestuiterd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestuiterd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestuiterd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestuiterd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestuiterd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestuiterd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stuiter gebiedende wijs
stuiterde verleden tijd
stuitere aanvoegende wijs
stuiterend onvoltooid, deelwoord
te stuiteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gestuiterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stuiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gestuiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestuiterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gestuiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestuiterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gestuiterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gestuiterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gestuiterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gestuiterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gestuiterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gestuiterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gestuiterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen stuiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gestuiterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gestuiterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult stuiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

frequentatief gevormd uit stuiten met het achtervoegsel -er **[3] In de betekenis van ‘knikkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1706

Woordfamilie van stuiteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gestuiterd voltooid deelwoord stuiteren
gestuiterde woordvorm stuiteren
stuiterde verleden tijd stuiteren
stuiterden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon stuiteren
stuitere aanvoegende wijs stuiteren
stuiterend onvoltooid deelwoord stuiteren
stuiterende woordvorm stuiteren
stuitert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon stuiteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuiteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over stuiteren

Hoe spreek je stuiteren uit?
De uitspraak van stuiteren is: /ˈstœytərə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent stuiteren?
Stuiteren is een werkwoord. Het woord betekent: herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je stuiteren?
Je vervoegt stuiteren als volgt: de tegenwoordige tijd is stuiter, de verleden tijd is stuiterde en het voltooid deelwoord is gestuiterd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord stuiteren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. U 4
  4. I 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

stuiteren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. U 2
  4. I 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

stuiteren in het kort

stuiteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van stuiteren zijn 60 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort stuiteren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

stuiteren: herhaaldelijk vanaf de bodem kaatsend opspringen
Deel stuiteren — standaardnederlands.nl