stuit
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- onderste gedeelte van de rug ter hoogte van het stuitbeen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stuiten | meervoud |
| stuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stuitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van stuiten
- gebiedende wijs van stuiten
Vervoeging van stuit
stuithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘achterste’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van stuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stuitje | verkleinwoord | stuit |
| stuitjes | verkleinwoord meervoud | stuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuit zijn vastgelegd.