stropen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de huid van een dier afhalen door deze binnenstebuiten te keren
- wederrechtelijk jacht maken op wild
Vervoeging van stropen
stropenhele werkwoord — stroopteverleden tijd enkelvoud — strooptenverleden tijd meervoud — gestrooptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stroop | stroopte |
| jij | stroopt | stroopte |
| hij, zij, het | stroopt | stroopte |
| wij | stropen | stroopten |
| jullie | stropen | stroopten |
| zij | stropen | stroopten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gestroopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestroopt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestroopt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestroopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestroopt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestroopt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestroopt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestroopt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestroopt | verleden tijd, deelwoord |
| gestroopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestroopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestroopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestroopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestroopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestroopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestroopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestroopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestroopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestroopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestroopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stroop | gebiedende wijs |
| stroopte | verleden tijd |
| strope | aanvoegende wijs |
| stropend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestroopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stropen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stropen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestroopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stropen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stropen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestroopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stropen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stroop
Herkomst
In de betekenis van ‘roven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1342
Woordfamilie van stropen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestroopt | voltooid deelwoord | stropen |
| gestroopte | woordvorm | stropen |
| stroopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stropen |
| stroopte | verleden tijd | stropen |
| stroopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stropen |
| strope | aanvoegende wijs | stropen |
| stropend | onvoltooid deelwoord | stropen |
| stropende | woordvorm | stropen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stropen zijn vastgelegd.