rijzen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɛizə(n)Betekenis
- opstijgen, opgaan
- (van brood of beslag) uitzetten en luchtig worden
- naar voren komen, zich aandienen
- loslaten en afvallen van een aantal zeer kleine gedeelten
Hoe spreek je rijzen uit?
/ˈrɛizən/
Rijzen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als reizen.
werkwoord
- uitzetten en luchtig worden ergative
Vervoeging van rijzen
rijzenhele werkwoord — reesverleden tijd enkelvoud — rezenverleden tijd meervoud — gerezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijs | rees |
| jij | rijst | rees |
| hij, zij, het | rijst | rees |
| wij | rijzen | rezen |
| jullie | rijzen | rezen |
| zij | rijzen | rezen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerezen | verleden tijd, deelwoord |
| gerezen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerezen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rees | verleden tijd |
| rijs | gebiedende wijs |
| rijze | aanvoegende wijs |
| rijzend | onvoltooid, deelwoord |
| te rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gerezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rijs
Herkomst
van Middelnederlands risen, in de betekenis van ‘zich oprichten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van rijzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerezen | voltooid deelwoord | rijzen |
| rezen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rijzen |
| rijze | aanvoegende wijs | rijzen |
| rijzend | onvoltooid deelwoord | rijzen |
| rijzende | woordvorm | rijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijzen zijn vastgelegd.