rijshout
zelfstandig naamwoord ˈrɛishɑutBetekenis
- staken en tenen van veelal wilgenhout die oorspronkelijk werden geoogst in de grienden (rietlanden) langs de rivieren en in de Biesbosch, voornamelijk gebruikt voor het vervaardigen van zinkstukken
Hoe spreek je rijshout uit?
/ˈrɛishɑut/
Rijshout bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijshoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rijshoutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van rijs zn en hout zn
Woordfamilie van rijshout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijshoutje | verkleinwoord | rijshout |
| rijshoutjes | verkleinwoord meervoud | rijshout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijshout zijn vastgelegd.