verwijzen
werkwoord /vər'ʋɛɪzə(n)/Betekenis
- naar iets of iemand anders wijzen of sturen
- refereren aan iets
Hoe spreek je verwijzen uit?
/vərˈwɛizən/
Verwijzen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verwijzen
verwijzenhele werkwoord — verweesverleden tijd enkelvoud — verwezenverleden tijd meervoud — verwezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwijs | verwees |
| jij | verwijst | verwees |
| hij, zij, het | verwijst | verwees |
| wij | verwijzen | verwezen |
| jullie | verwijzen | verwezen |
| zij | verwijzen | verwezen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwees | verleden tijd |
| verwezen | verleden tijd, deelwoord |
| verwezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwijs | gebiedende wijs |
| verwijze | aanvoegende wijs |
| verwijzend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wijzen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verwijzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwijs | gebiedende wijs | verwijzen |
| verwijst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwijzen |
| verwijze | aanvoegende wijs | verwijzen |
| verwijzend | onvoltooid deelwoord | verwijzen |
| verwijzende | woordvorm | verwijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwijzen zijn vastgelegd.