wijzen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwɛizə(n)Betekenis
- met de (wijs)vinger, hand of arm in een richting duiden
Hoe spreek je wijzen uit?
/ˈwɛizən/
Wijzen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wijzen
wijzenhele werkwoord — weesverleden tijd enkelvoud — wezenverleden tijd meervoud — gewezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijs | wees |
| jij | wijst | wees |
| hij, zij, het | wijst | wees |
| wij | wijzen | wezen |
| jullie | wijzen | wezen |
| zij | wijzen | wezen |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewezen | verleden tijd, deelwoord |
| gewezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wees | verleden tijd |
| wees je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wees me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wees u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wees u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wees zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wees zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wees zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| weest u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| werd gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wezen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wezen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| wezen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| wijs | gebiedende wijs |
| wijs me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wijs u/je , wijst je | gebiedende wijs |
| wijst je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wijst u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wijst zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wijst zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wijst zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wijze | aanvoegende wijs |
| wijze zich | aanvoegende wijs |
| wijzen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wijzen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wijzen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wijzend | onvoltooid, deelwoord |
| word gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me wijzen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich wijzen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je wijzen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewezen hebben | verleden tijd |
| zich wijzend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wijs
Herkomst
In de betekenis van ‘aanduiden (met de vinger)’ voor het eerst aangetroffen in 901