lijzen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlɛizə(n)Betekenis
- zeuren over onbelangrijke dingen, traag met een eentonige wat hoge stem
Hoe spreek je lijzen uit?
/ˈlɛizən/
Lijzen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als leizen.
Vervoeging van lijzen
lijzenhele werkwoord — gelijsdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lijs | — |
| jij | lijst | — |
| hij, zij, het | lijst | — |
| wij | lijzen | — |
| jullie | lijzen | — |
| zij | lijzen | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelijsd | verleden tijd, deelwoord |
| gelijsd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijsd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelijsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelijsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelijsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelijsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelijsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelijsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelijsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lijs | gebiedende wijs |
| lijsde | verleden tijd |
| lijze | aanvoegende wijs |
| lijzend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelijsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelijsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelijsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lijzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lijs
Herkomst
[werkwoord] afgeleid van lijs "sloom persoon" met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van lijzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijsd | voltooid deelwoord | lijzen |
| lijzend | onvoltooid deelwoord | lijzen |
| lijzende | woordvorm | lijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijzen zijn vastgelegd.