zelfrijzend
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- de eigenschap hebbend een baksel luchtig te maken zonder het deeg eerst met gist te laten rijzen
- tweede betekenisomschrijving.
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zelfrijzende | verbogen, stellende trap |
| zelfrijzends | partitief, stellende trap |
Herkomst
samenstelling van zelf en rijzend
Woordfamilie van zelfrijzend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zelfrijzende | verbogen vorm | zelfrijzend |
| zelfrijzends | partitive, positive | zelfrijzend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zelfrijzend zijn vastgelegd.