rijs
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- jong, dun takje
- takkenbos
- rijshout
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| rijzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijzen
- gebiedende wijs van rijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijzen
Vervoeging van rijs
rijshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘takje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 918
Woordfamilie van rijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijsje | verkleinwoord | rijs |
| rijsjes | verkleinwoord meervoud | rijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijs zijn vastgelegd.