Naar de inhoud

reizen

onderweg zijn

reizen is meer dan één woord

reizen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɛizən

Betekenis

  1. onderweg zijn
  2. ergeren, pesten, plagen, prikkelen
  3. irriteren
  4. aanlokken, bekoren, bevallen, lokken

Hoe spreek je reizen uit?

/ˈrɛizən/

Reizen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɛizən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɛi trein
z zon
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als rijzen.

werkwoord

  1. gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming ergative
  2. ongerichte activiteit van het onderweg zijn unergative

Vervoeging van reizen

reizenhele werkwoord — reisdeverleden tijd enkelvoud — reisdenverleden tijd meervoud — gereisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reis reisde
jij reist reisde
hij, zij, het reist reisde
wij reizen reisden
jullie reizen reisden
zij reizen reisden
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gereisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gereisd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gereisd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gereisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gereisd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gereisd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gereisd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gereisd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gereisd verleden tijd, deelwoord
gereisd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereisd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereisd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereisd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reis gebiedende wijs
reisde verleden tijd
reize aanvoegende wijs
reizend onvoltooid, deelwoord
te hebben gereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te reizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gereisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt reizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gereisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult reizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord reis

Herkomst

van Middelnederlands resen ww

Woordfamilie van reizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gereisd voltooid deelwoord reizen
gereisde woordvorm reizen
reisde verleden tijd reizen
reisden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon reizen
reist aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon reizen
reize aanvoegende wijs reizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reizen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over reizen

Hoe spreek ik reizen uit?
Zo spreek je reizen uit: /ˈrɛizən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van reizen?
Reizen is een werkwoord. De betekenis is: onderweg zijn. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik reizen?
Zo vervoeg je reizen zo: de tegenwoordige tijd is reis, de verleden tijd is reisde en het voltooid deelwoord is gereisd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op reizen?

Reizen rijmt op 26 woorden op -zen; wijzen, rijzen en bewijzen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op reizen, uitspraak ˈrɛizən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wijzen 2
rijzen 2
bewijzen 3
vijzen 2
verwijzen 3
onderwijzen 4
verrijzen 3
misprijzen 3
vergrijzen 3
lijzen 2
aanbewijzen 4
aanbiedingsprijzen 5
aanbodprijzen 4
aandeelbewijzen 5
aanmoedigingsprijzen 6
aanschafprijzen 4
armoedereizen 5
beprijzen 3
bijzen 2
deizen 2
kleizen 2
leizen 2
matsekleizen 4
peizen 2
prijzen 2
titelbewijzen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord reizen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. I 1
  4. Z 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

reizen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. I 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

reizen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

reizen in het kort

reizen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van reizen staan er 57 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort reizen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

reizen: onderweg zijn
Deel reizen — standaardnederlands.nl