| - |
impersonal, passief
|
| ben geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is geridderd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was geridderd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd geridderd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt geridderd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal geridderd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal geridderd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou geridderd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou geridderd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| geridderd |
verleden tijd, deelwoord
|
| geridderd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geridderd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| geridderd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geridderd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geridderd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geridderd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geridderd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| geridderd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geridderd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| geridderd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geridderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geridderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geridderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geridderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geridderd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| ridder |
gebiedende wijs
|
| ridderde |
verleden tijd
|
| riddere |
aanvoegende wijs
|
| ridderend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben geridderd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te ridderen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen ridderen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geridderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren geridderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was geridderd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was geridderd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was geridderd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt geridderd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zijn geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt geridderd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geridderd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt geridderd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen ridderen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geridderd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geridderd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult geridderd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult ridderen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|