Naar de inhoud

ridderen

iemand de titel ridder verlenen

ridderen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand de titel ridder verlenen

Vervoeging van ridderen

ridderenhele werkwoord — ridderdeverleden tijd enkelvoud — ridderdenverleden tijd meervoud — geridderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ridder ridderde
jij riddert ridderde
hij, zij, het riddert ridderde
wij ridderen ridderden
jullie ridderen ridderden
zij ridderen ridderden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geridderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geridderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geridderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geridderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geridderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geridderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geridderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geridderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geridderd verleden tijd, deelwoord
geridderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geridderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geridderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geridderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geridderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geridderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geridderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geridderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geridderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geridderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geridderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geridderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geridderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geridderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geridderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ridder gebiedende wijs
ridderde verleden tijd
riddere aanvoegende wijs
ridderend onvoltooid, deelwoord
te hebben geridderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ridderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ridderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geridderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geridderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geridderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geridderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geridderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geridderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geridderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geridderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geridderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geridderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ridderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ridderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geridderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geridderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geridderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ridderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van ridderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geridderd voltooid deelwoord ridderen
ridderde verleden tijd ridderen
ridderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ridderen
riddere aanvoegende wijs ridderen
ridderend onvoltooid deelwoord ridderen
ridderende woordvorm ridderen
riddert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ridderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ridderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ridderen

Wat betekent ridderen?
Ridderen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand de titel ridder verlenen.
Hoe vervoeg je ridderen?
Je vervoegt ridderen als volgt: de tegenwoordige tijd is ridder, de verleden tijd is ridderde en het voltooid deelwoord is geridderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ridderen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. I 1
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ridderen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. I 2
  3. D 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (R) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ridderen in het kort

ridderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ridderen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ridderen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ridderen: iemand de titel ridder verlenen
Deel ridderen — standaardnederlands.nl