rechter
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˈrɛxtər/Betekenis
- persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
- aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
Hoe spreek je rechter uit?
/ˈrɛxtər/
Rechter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechters | meervoud |
| rechtertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rechtertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van recht
Herkomst
In de betekenis van ‘lid van een rechtbank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van rechter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtertje | verkleinwoord | rechter |
| rechtertjes | verkleinwoord meervoud | rechter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rechter zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- rechter-commissaris
- rechterarm
- rechterbeen
- rechterborst
- rechterbovenbeen
- rechterbovenhoek
- rechterdijbeen
- rechterenkel
- rechterflank
- rechterhand
- rechterhelft
- rechterhersenhelft
- rechterheup
- rechterkant
- rechterknie
- rechterlijk
- rechtermondhoek
- rechteroever
- rechteronderbeen
- rechteroog
- rechteroor
- rechterpagina
- rechterschouder
- rechterstoel