bezwijken
werkwoord bəˈzwɛikə(n)Betekenis
- zwichten
- het opgeven
- bezwijken aan: sterven
- bezwijken onder: kapot gaan door niet sterk genoeg te zijn
- bezwijken voor: geen weerstand kunnen bieden aan verleidingen
- bezwijken van: ten ondergaan gaan aan een oorzaak
Hoe spreek je bezwijken uit?
/bəˈzwɛikən/
Bezwijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| z | zon |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- opgeven ergative
Vervoeging van bezwijken
bezwijkenhele werkwoord — bezweekverleden tijd enkelvoud — bezwekenverleden tijd meervoud — bezwekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezwijk | bezweek |
| jij | bezwijkt | bezweek |
| hij, zij, het | bezwijkt | bezweek |
| wij | bezwijken | bezweken |
| jullie | bezwijken | bezweken |
| zij | bezwijken | bezweken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bezweek | verleden tijd |
| bezweken | verleden tijd, deelwoord |
| bezweken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezweken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezwijk | gebiedende wijs |
| bezwijke | aanvoegende wijs |
| bezwijkend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezwijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn bezweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bezweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bezweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bezweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bezweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bezweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bezweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bezweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bezweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bezweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zwijken met het voorvoegsel be-, in de betekenis van ‘sterven’ aangetroffen vanaf 1682
Woordfamilie van bezwijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezweek | verleden tijd | bezwijken |
| bezweken | voltooid deelwoord | bezwijken |
| bezwijk | gebiedende wijs | bezwijken |
| bezwijke | aanvoegende wijs | bezwijken |
| bezwijkend | onvoltooid deelwoord | bezwijken |
| bezwijkende | woordvorm | bezwijken |
| bezwijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bezwijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezwijken zijn vastgelegd.