zeiken
werkwoord ˈzɛikə(n)Betekenis
- veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
- urineren
- stortregenen
Hoe spreek je zeiken uit?
/ˈzɛikən/
Zeiken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- soms urineren transitive, unergative
- hard regenen, stortregenen impersonal, informal
Vervoeging van zeiken
zeikenhele werkwoord — zeekverleden tijd enkelvoud — zeiktenverleden tijd meervoud — gezeiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeik | zeek |
| jij | zeikt | zeek |
| hij, zij, het | zeikt | zeek |
| wij | zeiken | zeikten |
| jullie | zeiken | zeikten |
| zij | zeiken | zeikten |
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezeikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezeikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezeikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezeikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezeikt | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezeikt | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezeikt | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezeikt | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezeikt | verleden tijd, deelwoord |
| gezeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezeken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| gezeken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| gezeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| gezeken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| gezeken | verleden tijd, deelwoord |
| gezeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gezeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gezeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gezeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gezeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gezeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gezeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| gezeken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| gezeken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| gezeken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| gezeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeikt | verleden tijd, deelwoord |
| hebben gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeikt | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeikt | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zeiken | toekomende tijd |
| zal zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeek | verleden tijd |
| zeik | gebiedende wijs |
| zeike | aanvoegende wijs |
| zeikend | onvoltooid, deelwoord |
| zeikt | tegenwoordige tijd |
| zeikte | verleden tijd |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeikt | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeikt | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zeiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezeikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zeiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands seiken, verdere etymologie onduidelijk; wel zijn er verwante woorden in diverse Indo-Europese talen. In de betekenis van ‘plassen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zeiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeikt | voltooid deelwoord | zeiken |
| gezeikte | woordvorm | zeiken |
| gezeken | active, infinitive, voltooid, tegenwoordige tijd, short-form | zeiken |
| zeike | aanvoegende wijs | zeiken |
| zeikend | onvoltooid deelwoord | zeiken |
| zeikende | woordvorm | zeiken |
| zeikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zeiken |
| zeikte | verleden tijd | zeiken |
| zeikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeiken |
| zeken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeiken zijn vastgelegd.