ontwijken
werkwoord ɔntˈwɛikə(n)Betekenis
- ontsnappen uit een insluiting
- trachten contact te vermijden
Hoe spreek je ontwijken uit?
/ɔntˈwɛikən/
Ontwijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontwijken
ontwijkenhele werkwoord — ontweekverleden tijd enkelvoud — ontwekenverleden tijd meervoud — ontwekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontwijk | ontweek |
| jij | ontwijkt | ontweek |
| hij, zij, het | ontwijkt | ontweek |
| wij | ontwijken | ontweken |
| jullie | ontwijken | ontweken |
| zij | ontwijken | ontweken |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontweken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was ontweken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd ontweken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt ontweken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ontweken worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ontweken zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou ontweken worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou ontweken zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben ontweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontweek | verleden tijd |
| ontweken | verleden tijd, deelwoord |
| ontweken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontweken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontweken te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontweken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontweken zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontweken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontweken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontwijk | gebiedende wijs |
| ontwijke | aanvoegende wijs |
| ontwijkend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn ontweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontwijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontweken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontweken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontweken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontweken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontweken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontwijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van wijken met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontwijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontweek | verleden tijd | ontwijken |
| ontweken | voltooid deelwoord | ontwijken |
| ontwijk | gebiedende wijs | ontwijken |
| ontwijke | aanvoegende wijs | ontwijken |
| ontwijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontwijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontwijken zijn vastgelegd.