Naar de inhoud

omdijken

een gebied omringen met dijken

omdijken is meer dan één woord

omdijken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ɔmˈdɛikə(n)

Betekenis

  1. een gebied omringen met dijken

Hoe spreek je omdijken uit?

/ɔmˈdɛikən/

Omdijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔmˈdɛikən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
m maan
d dak
ɛi trein
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. omringen met waterkeringen (van een gebied) transitive

Vervoeging van omdijken

omdijkenhele werkwoord — omdijkteverleden tijd enkelvoud — omdijktenverleden tijd meervoud — omdijktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik omdijk omdijkte
jij omdijkt omdijkte
hij, zij, het omdijkt omdijkte
wij omdijken omdijkten
jullie omdijken omdijkten
zij omdijken omdijkten
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is omdijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omdijkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omdijkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omdijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omdijkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omdijkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omdijkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omdijkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omdijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omdijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omdijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omdijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omdijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omdijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omdijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omdijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
omdijk gebiedende wijs
omdijke aanvoegende wijs
omdijkend onvoltooid, deelwoord
omdijkt verleden tijd, deelwoord
omdijkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omdijkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omdijkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omdijkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omdijkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omdijkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omdijkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omdijkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omdijkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omdijkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omdijkte verleden tijd
omdíjken canonical
te hebben omdijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te omdijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omdijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren omdijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omdijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omdijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden omdijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden omdijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omdijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omdijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omdijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn omdijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omdijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omdijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omdijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omdijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt omdijken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omdijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen omdijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omdijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omdijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult omdijken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omdijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord omdijk

Herkomst

ww: samenstellende afleiding van om bw en dijk zn met het achtervoegsel -en (dat de onbepaalde wijs van een werkwoord) vormt)

Woordfamilie van omdijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omdijke aanvoegende wijs omdijken
omdijkend onvoltooid deelwoord omdijken
omdijkende woordvorm omdijken
omdijkt voltooid deelwoord omdijken
omdijkte verleden tijd omdijken
omdijkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omdijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omdijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omdijken

Hoe spreek je omdijken uit?
De uitspraak van omdijken is: /ɔmˈdɛikə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent omdijken?
Omdijken is een werkwoord. Het woord betekent: een gebied omringen met dijken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je omdijken?
Je vervoegt omdijken als volgt: de tegenwoordige tijd is omdijk, de verleden tijd is omdijkte en het voltooid deelwoord is omdijkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op omdijken?

In dit woordenboek rijmen 25 woorden op -ijken op omdijken, zoals kijken, bereiken en vergelijken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op omdijken, uitspraak ɔmˈdɛikən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
kijken 2
bereiken 3
vergelijken 4
bekijken 3
bezwijken 3
blijken 2
ijken 2
eiken 2
praktijken 3
prijken 2
zeiken 2
ontwijken 3
afluisterpraktijken 6
martelpraktijken 5
achterdijken 4
babylijken 4
boilerroompraktijken 6
gijken 2
herbekijken 4
matchfixingpraktijken 6
overdijken 4
villawijken 4
wintereiken 4
witwaspraktijken 5
zomereiken 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omdijken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. D 2
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omdijken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. D 2
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omdijken in het kort

omdijken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van omdijken zijn 65 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omdijken bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omdijken: een gebied omringen met dijken
Deel omdijken — standaardnederlands.nl