prietpraat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- onbeduidend gepraat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prietpraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prietpraatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kletspraat’ voor het eerst aangetroffen in 1841
Woordfamilie van prietpraat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prietpraatje | verkleinwoord | prietpraat |
| prietpraatjes | verkleinwoord meervoud | prietpraat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prietpraat zijn vastgelegd.