overloper
zelfstandig naamwoord ˈovərˌlopərBetekenis
- iemand die overloopt (naar de vijand)
- buis voor het afvoeren van overlopend of overtollig water, een overloop
Hoe spreek je overloper uit?
/ˈovərˌlopər/
Overloper bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overlopers | meervoud |
| overlopertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| overlopertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van overlopen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van overloper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overlopers | meervoud | overloper |
| overlopertje | verkleinwoord | overloper |
| overlopertjes | verkleinwoord meervoud | overloper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overloper zijn vastgelegd.