opmaken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔpmakə(n)Betekenis
- iets verbruiken tot het op is
- iets concluderen, begrijpen
- make-up aanbrengen
- een tekstdocument opstellen of vormgeven
- iets klaarmaken
Hoe spreek je opmaken uit?
/ˈɔpmakən/
Opmaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitrekenen en documenteren transitive
- iets klaarmaken / opruimen voor gebruik transitive
Vervoeging van opmaken
opmakenhele werkwoord — maakte opverleden tijd enkelvoud — maakten opverleden tijd meervoud — opgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak op | maakte op |
| jij | maakt op | maakte op |
| hij, zij, het | maakt op | maakte op |
| wij | maken op | maakten op |
| jullie | maken op | maakten op |
| zij | maken op | maakten op |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak op | gebiedende wijs |
| maak u/je op, maakt je op | gebiedende wijs |
| maakte op | verleden tijd |
| op te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| opgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| opgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opmaakte | bijzin, verleden tijd |
| opmaakten | bijzin, verleden tijd |
| opmakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me opmaken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich opmaken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je opmaken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opgemaakt hebben | verleden tijd |
| zich opmakend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opmaken op zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je opmaken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons opmaken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opmaak
Herkomst
samenstelling van op en maken
Woordfamilie van opmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak op | gebiedende wijs | opmaken |
| maakt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opmaken |
| maakte op | verleden tijd | opmaken |
| maakten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opmaken |
| make op | woordvorm | opmaken |
| maken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opmaken |
| opgemaakt | voltooid deelwoord | opmaken |
| opmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opmaken |
| opmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | opmaken |
| opmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | opmaken |
| opmake | with-subordinate-clause | opmaken |
| opmakend | onvoltooid deelwoord | opmaken |
| opmakende | woordvorm | opmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opmaken zijn vastgelegd.