ontdubbelen
werkwoord /ɔntˈdʏbələ(n)/Betekenis
- exemplaren in een verzameling die identiek zijn aan elkaar op één na verwijderen, zodat de verzameling bestaat uit exemplaren die elk maar één keer voorkomen
- items in een lijst of records in een bestand die identiek zijn aan elkaar op één na verwijderen, zodat de lijst of het bestand geen doublures meer bevat
- de beschermlaag van de scheepshuid verwijderen
- een tweede van iets maken om de capaciteit te vergroten
Hoe spreek je ontdubbelen uit?
/ɔntˈdʏbələn/
Ontdubbelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| d | dak |
| ʏ | put |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontdubbelen
ontdubbelenhele werkwoord — ontdubbeldeverleden tijd enkelvoud — ontdubbeldenverleden tijd meervoud — ontdubbeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontdubbel | ontdubbelde |
| jij | ontdubbelt | ontdubbelde |
| hij, zij, het | ontdubbelt | ontdubbelde |
| wij | ontdubbelen | ontdubbelden |
| jullie | ontdubbelen | ontdubbelden |
| zij | ontdubbelen | ontdubbelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontdubbeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontdubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontdubbeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontdubbel | gebiedende wijs |
| ontdubbeld | verleden tijd, deelwoord |
| ontdubbeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontdubbeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontdubbelde | verleden tijd |
| ontdubbele | aanvoegende wijs |
| ontdubbelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontdubbeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontdubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontdubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontdubbeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontdubbelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontdubbeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontdubbelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1-3] afgeleid van dubbelen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontdubbelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontdubbel | gebiedende wijs | ontdubbelen |
| ontdubbeld | voltooid deelwoord | ontdubbelen |
| ontdubbelde | verleden tijd | ontdubbelen |
| ontdubbelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontdubbelen |
| ontdubbele | aanvoegende wijs | ontdubbelen |
| ontdubbelend | onvoltooid deelwoord | ontdubbelen |
| ontdubbelende | woordvorm | ontdubbelen |
| ontdubbelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontdubbelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontdubbelen zijn vastgelegd.