les
zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoord /lɛs/Betekenis
- onderricht gedurende een korte tijd
- lesgeven: Hij gaf les.
- de
- hen, ze (lijdend voorwerp, vóór het werkwoord)
- de (meervoud)
- de, het (enkelvoud)
- hen / ze
- fout, liegend, bedriegelijk
- bos; een groep bomen
Hoe spreek je les uit?
/lɛs/
Les bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lesje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lesjes | verkleinwoord, meervoud |
| lessen | meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
- gebiedende wijs van lessen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
Vervoeging van les
leshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderricht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van les
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lesje | verkleinwoord | les |
| lesjes | verkleinwoord meervoud | les |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van les zijn vastgelegd.